Stiekeme saboteurs

  • Doen anderen vaak net het tegengestelde van wat je vraagt?
  • Ken jij de woorden en taalpatronen die zorgen dat je boodschap het gewenste effect lijkt te missen?
  • Krijg jij jezelf maar moeizaam vooruit bij sommige taken?

Dan kan het zijn dat deze stiekeme saboteurs zoals ik ze noem jou ook in hun macht hebben. Lees in dit artikel wie ze zijn en wat hun effect is.

Het begon met klanken

De meeste mensen kunnen praten. We hebben dat als klein kind al geleerd door geluiden die onze ouders en verzorgers produceerden na te bootsen. Geleidelijk aan begonnen we die geluiden te linken aan personen, voorwerpen of acties. "Mama" was de klank voor de vrouw waar we een onverklaarbare band mee leken te hebben. "Woe" (kort voor "woef") was de term voor de hond. En "Dri" gaf aan dat we dorst hadden en wilden drinken.

Klanken werden woorden

Vanuit die klanken gingen we geleidelijk over naar het uitspreken van volledige woorden. Woorden die dan weer zinnen werden. Onze woordenschat werd ruimer en ons vermogen om mooie zinnen te maken werd steeds verder gestimuleerd door terechtwijzende ouders en punten gevende leerkrachten.

Toch leerden we nooit bewust praten

In onze opvoeding leerden we wel steeds woorden bij, we leerden specifieke termen voor specifieke categorieën van woorden (onderwerp, bijwoord, werkwoord) en we leerden ze in goed klinkende zinnen te gieten door het schrijven van opstellen, het maken van gedichten of het geven van spreekbeurten.

Wat de meesten van ons echter nooit geleerd hebben (en zeker niet als kind), dat zijn taalpatronen. Woorden hebben een effect op de toehoorder of zelfs de uitspreker van die woorden als ze in een specifieke volgorde worden uitgesproken. Dat effect kan gewenst zijn. Of erger: het kan net tegengesteld zijn aan wat eigenlijk het doel van die communicatie was.

Deze informatie kwam nooit tot bij ons, omdat onze opvoeders het zelf niet wisten. We zijn ons dus nooit bewust geworden van die taalpatronen en hun mogelijke bijwerkingen.

Wat heel belangrijk is om te weten

Ons brein werkt heel sterk visueel. Ongeacht of je je daar nu bewust van bent of niet. Beschrijf eens hoe je woonkamer er uit ziet. Wedden dat je het meubilair kan zien? Beschrijf eens de weg van bij je thuis naar de dichtstbijzijndste winkel. Wedden dat je die weg in gedachten ziet terwijl je hem beschrijft?

Als ik je nu vertel dat ik een hond heb. Dan ben ik er zeker van dat jij in een flits een hond gezien hebt. In gedachten weer. Je brein gaat op zoek naar de betekenis van de klank “hond” en haalt er een plaatje van een hond bij. Bij het lezen van fictie-boeken maakt ons brein zo hele werelden (die er dan wel eens heel anders kunnen uitzien eens de verfilmde versie uit komt).

Zo werkt het dus ook als iemand je hoort praten. Via beelden geeft die betekenis aan je woorden.

Het eerste verraderlijke taalpatroon

Een wat langere intro om tot het eerste taalpatroon te komen. Hier komt het: Ik geef je een opdracht en jij voert die uit. Een heel eenvoudige. Klaar? Hier gaan we:

De opdracht: “Denk niet aan een roze olifant!”

En? Heb je hem gezien? Waarschijnlijk wel (of het ging te snel). Dat komt doordat je brein op zoek gaat naar de betekenis van “roze olifant”, er dus een beeld van dat beestje bij haalt en lap. Daar is hij. Ook al was de opdracht om hem niet te zien.

De impact van een zin met het woordje “niet” erin verwerkt, kom je te weten door dat woordje eruit te halen. De opdracht “Denk niet aan een roze olifant” was dus eigenlijk: “Denk aan een roze olifant”. En je hebt dat zeer goed gedaan.

Hoe vaak zeggen we echter wat we niet willen? Of wat een ander “niet” mag doen”? Of hoe het “niet” hoort? We creëren juist het tegengestelde effect.

Enkele voorbeelden

Irma zegt tegen Frans: “Morgen is het vuilophaling. Vergeet de vuilzakken niet buiten te zetten!”. Wat heeft Irma eigenlijk gedaan? Inderdaad: de instructie gegeven om te vergeten de vuilzakken buiten te zetten. En als Frans dan braaf luistert en het vergeet is ze de volgende dag boos. En zegt ze waarschijnlijk: “Ik had het nog zo gezegd: Vergeet de vuilniszakken niet buiten te zetten!”.

De bezorgde moeder zegt tegen haar dochter die bang is van de spin: “Wees niet bang! Die spin gaat je niet bijten!”. Wat zegt ze eigenlijk? “Wees bang! Die spin gaat je bijten!”. Dat is althans het beeld dat het brein van de dochter voor de geest haalt.

Ietsje anders, maar allicht even herkenbaar: De leerkracht zegt tegen de rebel van de klas (die met zijn lat op de tafel zit te tikken): “Tik niet met je lat op de tafel”. De rebel begint vervolgens op zijn stoel te tikken met dezelfde lat. Zegt de leerkracht: “Ik had toch gezegd niet met je lat te zitten tikken”. “Klopt” zegt de rebel “Maar ik tik nu toch op mijn stoel”. Mogelijke reactie van de leerkracht: “Nog brutaal ook! Schrijf jij tegen morgen maar eens 5 bladzijden straf.”

Wat dan wel te zeggen

Het antwoord is in essentie: schrap het woordje “niet” uit je woordenschat en praat enkel nog in termen van wat je wel wil:

  • Irma tegen Frans: “Morgen komt de vuilniskar. Zet jij het vuilnis buiten?”
  • Moeder tegen dochter: “Wees gerust. Je bent veilig.”
  • Leerkracht tegen rebel: “Berg die lat op en wees stil en aandachtig.”

Dus is mijn uitnodiging naar jou: schrap het woordje “niet” uit je woordenschat.

De weerstand die we zelf creëren

De meeste mensen gaan graag op vakantie, dus ik leg dit uit aan de hand van het voorbeeld “op vakantie gaan”. Krijg je het benauwd bij die gedachte, vervang dan “op vakantie gaan” door iets wat jou warm doet lopen (bv. gaan sporten, een film kijken, een boek lezen, …).

Ik ga je 5 zinnen presenteren. Ik formuleer ze in de “ik”-vorm. Laat ze tot je komen alsof je ze zelf denkt en ga eens na of ze onderling anders aanvoelen. Neem dus telkens even tijd tussen twee zinnen om te ervaren.

Hier komen ze:

  • Ik mag op vakantie gaan
  • Ik wil op vakantie gaan
  • Ik moet op vakantie gaan
  • Ik kan op vakantie gaan
  • Ik zal op vakantie gaan

Heb je een verschil ervaren? Wat was dat verschil voor jou?

Allicht heb je gemerkt dat bepaalde zinnen aangenamer aanvoelen dan andere? Welke voelde voor jou het aangenaamste? En welke het minst aangenaam? Mijn ervaring is dat veruit de meerderheid van de mensen de zin “Ik moet op vakantie gaan” als onprettig ervaren. Hij roept zelfs weerstand op. Raar hé! Want het gaat over iets wat ze graag doen. Behalve als het “moet”!

Ik moet juist niks!

Dat hoor je veel mensen zeggen. Moeten roept weerstand op. We zijn ons daarvan bewust en daarom vermijden we het woord zoveel mogelijk bij anderen. Er is echter jammer genoeg een persoon waarbij we dat woord toch vaak gebruiken. Die persoon, dat zijn we zelf.

We zeggen tegen onszelf als de wekker gaat bv.: “Ik moet opstaan, want ik moet nog douchen, en ik moet de vuilzakken nog buiten zetten en dan moet ik de kinderen snel oproepen, want ze moeten nog douchen en daarna moet ik…”. Voel je de spanning stijgen? Herkenbaar misschien?

Wat als je nu zou zeggen/denken: “Ik wil opstaan, dan kan ik nog douchen en daarna de vuilzakken buiten zetten. En dan zal ik de kinderen oproepen, want ik wil nog dat ze een douche nemen en dan kan ik daarna…”. Merk je hoe dat helemaal anders aanvoelt?

Zelfs bij een hobby zeggen velen bv. “Ik moet gaan, want ik moet gaan trainen/ik moet naar de muziekles/ik moet…”. Van wie moeten ze? Ze gaan toch omdat ze het graag doen, niet? Waar komt de moeten dan vandaan? En met de moeten komt de spanning en zelfs de weerstand. Ook voor iets wat we graag doen.

De tweede uitnodiging

Schrap het woordje “MOETEN” uit je woordenschat. Helemaal! En vervang het door “willen”, “kunnen”, “mogen” of “zullen”. Of misschien vind je zelf nog woorden die voor jou nog beter aanvoelen. Alles behalve “moeten”.

Maar dat moet je natuurlijk niet 😉

En als het echt “NIET” kan: Taalpatroon 3

Ik ga nu even bewust het woordje “niet” gebruiken:

Wat als je bv. iets heel graag zou kunnen, alleen zit het niet binnen je mogelijkheden? Of iets wat je zou willen is gewoon niet aanwezig in je leven.. Je wil het heel graag. Maar het kan niet. Of het is er gewoon niet:

  • Je hebt geen geld om op reis te gaan.
  • Je hebt geen tijd om die opleiding te gaan volgen.
  • Je hebt geen vriendin.
  • Je kan niet hardlopen (omdat je beide benen pas geamputeerd zijn)

Vaak praten of denken we dan in die termen: termen van onmogelijkheid. Het is er niet en dat is een feit. Hoezeer we het ook anders zouden willen. Het is een gegeven dat we best accepteren. Zo voelt het althans. En dat is dus de derde sabotage-daad: het kan niet. Dat is een gegeven. Dus we doen het niet. We proberen zelfs niet meer.

De derde uitnodiging

Wat het ook is dat er niet is of niet kan: voeg het woordje “nog” toe aan. Stel dat een van de bovenstaande voorbeeldzinnen op jou van toepassing is, hoe ervaar je dan de volgende zinnen::

  • Je hebt nog geen geld om op reis te gaan.
  • Je hebt nog geen tijd om die opleiding te gaan volgen.
  • Je hebt nog geen vrienden.
  • Je kan nog niet hardlopen.

Het woordje “nog” haalt de onmogelijkheid er uit. Het creëert opties. Het creëert hoop.

Het voorbeeld met de benen kreeg ik van iemand die me zei dat het toch belangrijk is om realistisch te blijven. Stel dat iemand pas zijn benen kwijt geraakt is in een ongeval. Die kan toch niet hardlopen. Klopt. Op dat moment nog niet. Maar als ik kijk naar de paralympics: daar zijn er heel veel die harder lopen dan de meesten van ons… dus waarom zou die persoon dat nooit nooit kunnen?

Ik maak er een punt van om mensen nooit de hoop te ontnemen. Hoe uitzichtloos een situatie op dat moment ook lijkt. Ik geloof dat het wegnemen van hoop het meest wraakroepende is wat je een medemens kan aandoen.

Er is nog veel meer

Er zijn nog diverse andere taalpatronen. Laatst gaf ik een workshop waarin behalve deze 3 taalpatronen nog 8 andere aan bod kwamen. Hieronder hoor je wat een van de deelnemers er van vond:

Herken je de taalpatronen uit dit blog-artikel? Ik lees graag je reactie in de commentaar velden onderaan dit artikel! Al degenen die een commentaar achterlaten met wat ze herkennen en hoe ze dat gaan vermijden in de toekomst krijgen gratis een video-samenvatting van de workshop waarin 11 van dergelijke patronen aan bod kwamen.  

Tijdens de Life Bootcamp Training komen  diverse van deze taalpatronen ook aan bod. Die dag bevat echter veel meer dan dat. Je leert er de zeven bouwstenen om aan jouw succesvol en gelukkig leven te werken. Goed communiceren is er daar maar eentje van.

Schrijft je nu in en reserveer je plek voor de Life Bootcamp Training via deze link

Committed to your Success
Gert Govers

PS: Deel je kennis en deel dit artikel alsjeblieft met je netwerk, door op de Facebook, LinkedIn of Google+ knoppen te klikken, zodat de mensen in jouw netwerk hiervan ook kunnen profiteren! Jouw bijdrage aan hun succes zal ongetwijfeld bijdragen aan jouw succes!

Gert Govers

Committed to your success

Klik hier om te reageren

Laat een reactie achter